NIEUWEWEGENGGZENOPVANG

Nieuwe wegen ggz en opvang gaat voor landelijke implementatieagenda

Een volle zaal bij de bijeenkomst van Nieuwe wegen ggz en opvang op 7 november in Utrecht. Het programma heeft in de afgelopen twee jaar 27 samenwerkingsverbanden gestimuleerd en ondersteund om langs verschillende wegen sociale inclusie mogelijk te maken. Het doel is om bij de afsluiting van het programma in maart 2018 tot een landelijke implementatieagenda te komen. Deze bijeenkomst legde de basis hiervoor.

In het programma Nieuwe wegen ggz en opvang zijn 27 samenwerkingsverbanden bezig antwoord te geven op de vraag hoe mensen met een psychische aandoening het best kunnen worden ondersteund in het dagelijks leven.

Marie-Antoinette Bäckes, programmaleider
‘Wat die 27 samenwerkingsverbanden ontwikkelen, mag niet in een bureaula verdwijnen’

Marie-Antoinette Bäckes vervolgt: ‘Dit programma loopt nog tot en met maart 2018, maar we moeten nu al nadenken over implementatie en doorontwikkeling, daarvoor zitten we hier vandaag bij elkaar. We willen in kaart brengen wat landelijk, regionaal en lokaal nodig is om die implementatie en doorontwikkeling vorm te geven. Als we op 15 maart 2018 samen met een aantal andere partijen het congres ‘Samen werken aan sociale inclusie’ houden, willen we zoveel mogelijk mooie voorbeelden op het gebied van sociale inclusie kunnen laten zien.’

Die datum in maart is niet toevallig gekozen, vlak voor de gemeenteraadsverkiezingen. En het zijn bij uitstek de gemeenten die in het bewerkstelligen van die sociale inclusie voor mensen met een psychische aandoening een grote rol vervullen.

Domeinoverstijgende samenwerking

Harry Michon

Harry Michon (Themacoördinator Nieuwe wegen ggz en opvang) bracht in beeld wat de stand van zaken is bij de 27 samenwerkingsinitiatieven die in het kader van Nieuwe wegen ggz en opvang tot stand zijn gekomen. ‘Dat aantal is imponerend’, vond hij. ‘Nieuwe wegen ggz en opvang is in de kern een aanjaagprogramma, uitnodigend tot domeinoverstijgende samenwerking. Kernbegrippen zijn het betrekken van ervaringsdeskundigheid en het actief betrekken van cliënten. Hoewel binnen het programma drie thema’s zijn benoemd, zien we in de praktijk dat de 27 deelnemende partijen de verbinding zoeken tussen die thema’s. Dat is mooi om te zien. Het is nu te hopen dat alle lessons learned uit die samenwerkingsinitiatieven breed worden gedeeld en zichtbaar worden gemaakt aan de hand van de aanpak die de commissie Dannenberg heeft geboden. De acht pijlers die deze commissie heeft opgesteld voor sociale inclusie zijn essentieel, ze sluiten goed aan bij wat mensen met psychische kwetsbaarheden zelf vertellen. Dit kwam heel duidelijk uit de enquête die is gehouden om in kaart te brengen in hoeverre de 27 initiatieven de condities bieden om aan die sociale inclusie bij te dragen.’

Michon bracht vervolgens helder in kaart in hoeverre de activiteiten van de 27 samenwerkingspartijen wel of niet aansluiten bij de acht pijlers voor sociale inclusie van de commissie Dannenberg.

Aan de eerste – werken aan zelfregie, ervaringskennis en informele zorg – werken ze alle 27 en driekwart zelfs intensief. ‘Indrukwekkend’, zei Michon. ‘Mooie voorbeelden vind ik de Resource groepen die de regie helemaal bij de cliënt leggen en het netwerk HET dat een platform biedt voor ervaringsdeskundige initiatieven.’ De tweede pijler – langdurige en flexibele begeleiding – is minder een aandachtsgebied voor de 27, volgens Michon mogelijk omdat de borging nog op de agenda moet worden gezet. Met de derde pijler – continuüm, herstel en participatie – zijn ze wel sterk bezig. Michon noemde Buurtcirkel als goed voorbeeld. Met de vierde – gevarieerd wonen – is een kwart heel intensief bezig, maar alle 27 partijen in ieder geval wel in enige mate. Dit geldt niet voor de vijfde: beschikbare en betaalbare woningen. Wel weer voor de zesde, toegankelijke zorg. Een voorbeeld is Odibaan dat samen met PsyQ een laagdrempelig spreekuur heeft opgezet voor werk- en opleidingsvragen. De zevende – samenwerking met gemeenten en zorgverzekeraars – vinden ze alle 27 belangrijk, maar niet iets waarin ze zelf primair actief in is. Bij de achtste ten slotte – borging van goede en vraaggerichte zorg – noemde Michon GGz in de wijk in Amsterdam Zuid een goed voorbeeld van sociale inclusie waarin ervaringsdeskundigheid een belangrijke rol speelt.

Afrondend waarschuwde Michon dat niet teveel moet worden gebouwd op een fundament waaraan nog heel veel moet gebeuren. Zorg voor voldoende stevigheid en basis voor doorontwikkeling! Het is bijvoorbeeld nog steeds een uitdaging om bij de gemeenten en zorgverzekeraars aan tafel te komen over duurzame financiering, waarschuwde hij.

Stiefkindjes

Rina Beers

Rina Beers (senior beleidsmedewerker Federatie Opvang en voorzitter van de stuurgroep Nieuwe wegen ggz en opvang) stond stil bij hoe snel de stap van ‘onverzekerbare’ AWBZ zorg naar participatie en eigen kracht is gezet. ‘VNG heeft direct gekeken naar wat nodig was om hiervan een succes te maken’, vertelde ze, ‘vandaar dat de commissie Dannenberg aan het werk is gegaan om hiervoor de pijlers te schetsen. Op het advies van die commissie om niet alleen naar de centrumgemeenten te decentraliseren maar naar alle gemeenten, is door VNG en gemeenten positief gereageerd. Aan dit advies lag dan ook een goede visie ten grondslag.’

Beers noemde de randvoorwaarden waaraan moet worden voldaan om de decentralisatie een succes te maken de “stiefkindjes” uit het advies van de commissie Dannenberg.

‘Daaraan móet worden voldaan om het goed te laten landen’, zei ze. ‘Gebeurt dit niet, dan is de toekomst voor de mensen om wie het gaat niet veel anders dan in de AWBZ periode. Dat zou een gemiste kans zijn. We hebben dus door bureau APE laten uitrekenen wat het kost om aan die randvoorwaarden te voldoen. De resultaten daarvan volgen snel, maar ik kan nu al zeggen dat het om 28.000 mensen in beschermd wonen gaat en 9.000 op de wachtlijst daarvoor, waarbij de kosten per persoon gemiddeld 50.000 euro per jaar zijn. In de Wlz zitten ook nog eens 5.000 mensen met een oude indicatie voor beschermd wonen met behandeling. We nemen aan dat die onder de langdurige zorg zullen blijven. De intensiteit van begeleiding verschilt enorm tussen de typen cliënten waarom het gaat, maar in ieder geval is sprake van een relatief hoog bedrag voor een relatief kleine groep mensen. De vraag wat we voor hen als alternatief tot stand kunnen brengen is dus zeker aan de orde. Herstel versterken en ervaringsdeskundigheid inzetten kosten geld, maar kunnen er wel toe leiden dat mensen een baan krijgen of minder begeleiding nodig hebben.’

Helaas bleek het op veel van de voorwaarden moeilijk om de kosten in beeld te brengen. Gemeenten hebben bijvoorbeeld nog nauwelijks een idee van wat het ondersteuningscontinuüm (schuldhulp, budgetbeheer, jobcoaching, dagactivering) kost. Ook bestaat nog geen lokaal of landelijk beeld van wat het kost om alle mensen van een passende woning te voorzien. De baten daarvan worden pas op termijn zichtbaar. Beers noemde hierbij het voorbeeld Finland, waar al vijftien jaar consequent wordt gehandeld volgens het principe van housing first. Het aantal daklozen neemt daar jaar na jaar af. Verder staat laagdrempelige toegang als taak in de Wmo, maar gaan wijkteams uit van vraaggerichte zorg. Cliënten van opvang en beschermd wonen stellen vaak geen vraag en dan komt er ook geen hulp. ‘In Nederland zien we dat wel kwaliteitseisen voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn opgesteld maar dat veel gemeenten daar in de inkoop niets mee doen’, zei ze. ‘Dat is zorgelijk. Gemeenten kopen er niet op in en dan is het lastig om tot kwaliteitsverbetering te komen. En omdat de samenwerking met zorgverzekeraars nauwelijks van de grond komt, is sociale inclusie voor gemeenten een enorme kostenpost aan het worden. Ze hebben het gevoel zaken op te lossen waarvan anderen profijt hebben, voor mensen die ze nog niet zo heel goed kennen.’

‘In Nederland zien we dat wel kwaliteitseisen voor beschermd wonen en maatschappelijke opvang zijn opgesteld maar dat veel gemeenten daar in de inkoop niets mee doen.’

Gelukkig zijn er ook positieve ontwikkelingen te bespeuren, stelde ze. De gemeente Leiden heeft tijdelijke woningen gebouwd op het terrein van een leegstaande school voor een periode van tien jaar. Gedurende die tien jaar kan aan permanente huisvesting worden gewerkt. Sociale inclusie komt daar tot stand door te doen. ‘Maar wat nodig is om de randvoorwaarden concreet te maken, is dat de kosten en baten landelijk reëel verdeeld worden’, zei ze afsluitend.

Grote impact

Erik Dannenberg

Erik Dannenberg (voorzitter van Divosa en naamgever van de door de vorige twee sprekers aangehaalde commissie) memoreerde hoe de overdracht van taken naar de gemeenten voor momentum had gezorgd en een veel grotere impact kreeg dan had kunnen worden voorzien. ‘De acht pijlers voor sociale inclusie zijn zelfs opgenomen in het regeerakkoord’, zei hij. ‘Heel mooi, maar stop niet met denken want op de ene plaats zal de ene pijler veel meer aandacht behoeven dan elders.’

Hij zei blij te zijn met het voorbeeld Finland dat Beers aanhaalde. ‘Ons land was lang heel sterk om dingen in de zorgcontext te trekken’, verklaarde hij. ‘Maar dit voorbeeld laat zien hoeveel zorgvragen je ook als huisvestingsvragen kunt interpreteren. Voor veel mensen zou een individuele behandelaar/cliënt relatie achterwege kunnen blijven. Oprechte aandacht om je leven weer op de rit te krijgen, daar gaat het om. Dit betekent dat de functie geestelijke gezondheidszorg niet moet samenvallen met de instelling die het uitvoert en dat we anders moeten gaan kijken naar beschermd wonen, want sommige vormen daarvan zijn echt herstel ondermijnend.’

‘Het gaat om oplossingen bieden waarbij de bestaande schuttingen geen hinderpaal vormen. Die schuttingen moeten weg; als er geen schutting staat, kun je er ook niets overheen gooien.’

Dannenberg onderstreepte hoezeer hij het eens is met de opmerking van Beers dat er een plan moet komen voor de randvoorwaarden. ‘Ik hoop dat dit met de 27 initiatieven lukt’, zei hij. ‘Het gaat om oplossingen bieden waarbij de bestaande schuttingen geen hinderpaal vormen. Die schuttingen moeten weg; als er geen schutting staat, kun je er ook niets overheen gooien. Neem het voorbeeld van de man die ’s nachts op de muren bonkt omdat hij dan niet in staat is om zichzelf te bedwingen. Je kunt dan meegaan in het uitzettingsbevel waarvoor de buren een procedure starten. Die procedure kost 7.000 euro. Maar je kunt voor dat geld ook in het huis van die man een geluiddichte box creëren waarin hij ongehinderd zijn gang kan gaan. Is dat zorg? Is dat ondersteuning? Allebei een beetje denk ik, maar het is in ieder geval een oplossing waarover iedereen tevreden kan zijn.’

Zes discussietafels

discussietafels

Voor het middagprogramma werden de aanwezigen verdeeld over zes discussietafels, waarin werd gesproken over de vraag wat landelijk en regionaal de sociale inclusie vorm te geven en wat ieder daarin als zijn eigen rol ziet. De onderwerpen per tafel waren:

  1. Samenwerken met ieders belangen.
    Uitgangspunt voor dit gesprek was de ontwikkeling van de digitale tool Psynet in de regio Utrecht, bedoeld voor communicatie tussen de cliënt en de formele en informele hulpverleners.

De kern was hier dat bestuurlijke daadkracht nodig is om van pilot tot structurele samenwerking te komen over de domeinen heen. Dit vraagt om meerjarenbekostiging en om een financieringsype dat preventie en innovatie tot verdienmodel maakt. Van het indiceren moet afscheid worden genomen: de behoefte van de mens moet centraal staan in plaats van de zorgvraag.

  1. De noodzaak om te investeren in de wijk.
    De kernvraag was hier: hoe leg je de verbinding tussen de professionele zorg en de eigen kracht van mensen?

Het gaat om participatie in de eigen buurt, dus sluit aan bij wat er in die buurt gebeurt. Zorg dat mensen buurtbewoners zijn en investeer daarvoor eerst in het collectieve en dan pas in het individu. Verbind die twee met elkaar en betrek daar de ervaringswerker bij. Organiseer niet alles maar stel mensen in staat om dit zelf te doen. Maak daarvoor een sociale kaart van de wijk om een beeld te krijgen van wie de gangmakers zijn en wie de wisselende zorgvragers.

  1. Burgerinitiatieven.
    Het doel hiervan is de afhankelijkheid van de professionals te verminderen.

Hier leidde de uitdaging voor zorgaanbieders om zichzelf overbodig te maken tot discussie. Er zijn veel voorbeelden van buurtinitiatieven maar er is tot op heden weinig ruimte voor verduurzaming daarvan. Zorgvrijstaat Rotterdam is een goed voorbeeld met zijn uitgangspunt: “Wij regelen het zelf wel en als we zorg nodig hebben roepen we die wel in”. De zorg moet de bestaande buurtinitiatieven veel meer opzoeken en met bescheidenheid als uitgangspunt kijken wat ze eraan kan toevoegen.

  1. Zelfregie en preventie.
    Zelfregie draagt bij aan herstel, maar het is niet eenvoudig mensen tot zelfregie te brengen, zeker niet als ze al lang afhankelijk zijn van zorg.

Zelfregie vraagt om een cultuuromslag. Professionals moeten de ruimte krijgen om af te wijken van protocollen als ze daarmee de cliënt beter in zijn kracht kunnen zetten. Om zelfstigma te voorkomen moet het zelfbeeld van de cliënt worden versterkt. Benut hierbij de ervaringsdeskundigheid. Creëer laagdrempelig zelfregiecentra en herstelplaatsen, in de buurten dus, los van de zorg.

  1. Wonen. Zonder woning geen inclusie, dus er moeten snel voldoende woningen komen voor de doelgroep.

Het enig werkbare uitgangspunt is: doen. In een visie kun je niet wonen. Breng per regio de behoefte aan woonruimte in kaart en creëer die woningen, al dan niet tijdelijk. Zoek de pers om mensen te laten vertellen wat het betekent om heel lang op zo’n woning te moeten wachten. En deel ook de inspirerende verhalen over waar het wel goed gaat.

  1. Ervaringsdeskundigheid. Hier speelt de vraag of deze vanuit de organisatie moet worden ontwikkeld of juist onafhankelijk daarvan. En of het een afzonderlijke functie is of iets dat van alle medewerkers kan worden benut.

Hiervoor moet geen blauwdruk worden gecreëerd, want juist variatie in het inzetten van ervaringsdeskundigen heeft grote meerwaarde. Maak ook vanuit de instellingen duidelijk dat met ervaringsdeskundigheid wordt gewerkt, want dat spreekt aan. En als die ervaringsdeskundigheid een functie wordt, maak die dan ook betaald. Dit neemt niet weg dat werken in een vrijwillige functie een onderdeel van de opleiding kan zijn, van waaruit naar een betaalde functie wordt doorgestroomd. En coach ervaringsdeskundigen om te zorgen dat ze in hun rol blijven.

Op weg naar de implementatieagenda en daar voorbij

In de afsluiting van de dag vroeg Marie-Antoinette Bäckes alle aanwezigen om op papiertjes (“wolkjes”) te beschrijven wat ze willen bijdragen om sociale inclusie te bewerkstelligen en wat ze al doen. ‘Schrijf je contactgegevens erbij’, verzocht ze. ‘Voor de voorbereiding van de implementatieagenda en het congres van 15 maart doen we graag een beroep op je.’

3 van deze wolkjes lichten we uit:

  • Het ontschotten van de samenwerking tussen formele zorg, ervaringsdeskundigheid, welzijn en burgers (inhoudelijk, institutioneel en financieel).
  • Verbinding tussen alle betrokkenen (burgers, zorginstellingen, gemeenten). Leren begrijpen van elkaars taal en samen gaan voor goede zorg en een stevige, tolerante samenleving.
  • Bewaken van de authentieke kracht van ervaringsdeskundig werken. Zowel binnen de ggz als het sociale domein. Scholing is meer dan een papiertje. Ook variatie in inzet als uitgangspunt: niet 1 wijze die ultiem zou zijn.

Ze vatte de dag samen door op te merken dat bij het “hoe” voor het bereiken van sociale inclusie de nadruk voor iedereen ligt op: doen. ‘Geen blauwdruk dus maar aan de slag gaan en de mensen om wie het gaat erbij betrekken’, zei ze. ‘Aan de slag gaan ook met het inzetten van ervaringsdeskundigheid en het creëren van woningen. Voor de opzet van een landelijke implementatieagenda betekent het in ieder geval dat die moet aansluiten op wat lokaal nodig is. Sociale inclusie vergt een cultuuromslag, want we denken vanuit bestaande organisaties. Medewerkers moeten hierin ondersteund worden en organisaties moeten handelen vanuit een visie. En er moet een financiële prikkel zijn om te investeren in samenwerking.’

Maar hiermee was het niet gedaan, want Rina Beers kwam met een nabrandertje dat alle aanwezigen tot nadenken stemde. ‘Denk na over de vraag of de acht pijlers voor sociale inclusie van de commissie Dannenberg die zijn opgenomen in het regeerakkoord een lokale vertaling kunnen krijgen in de gemeenteraadagenda’, zei ze. Met het oog op de gemeenteraadsverkiezingen van maart 2018 een interessante uitdaging. Regeren is immers vooruitzien, ook op gemeenteniveau.

Verslag door Frank van Wijck


Geplaatst op: 21 november 2017
Laatst gewijzigd op: 12 december 2017